
Lago Heights, twee uur ’s nachts. Ik had de auto geparkeerd op een verlaten plek van waaraf we uitzicht hadden op de walmende petrochemische jungle van de Valero raffinaderij die, net zoals de echte jungle, bij nacht pas werkelijk tot leven leek te komen. Met vuurspuwende bomen en stoomsissende wezens in twinkelend lover.
Voor ons in de diepte lag San Nicolaas. Door de kleine straatjes van de schilderbuurt, met trotse namen als Govert Flinck, Vermeer en Rembrandt, bewogen de lichtjes van de auto’s langs de meisjes die achter getraliede deuren stonden. Rokend. Met elkaar kletsend. Gapend. Stoned.
Vendy dronk uit een fles in een kartonnen zak. De inhoud van die fles had weinig met natuurlijke alcohol te maken zei hij. Met een geheimzinnig lachje raadde hij mij af ervan te proeven. Het maakte me niet uit. Ik had net een joint opgestoken en genoot van het uitzicht op de lichtjes en de kalme aanwezigheid van de sympathieke junk/dealer. Hij had geen excuses voor zijn verslaving. Het is sterk spul allemaal. Maar stelen van zijn moeder, zoals hij met enige regelmaat had gedaan, dat was de absolute bodem geweest. Dus had hij een paar jaar geleden op de veranda een klein hokje voor zichzelf getimmerd waar hij sliep. “Ik ga pas weer naar binnen als ik clean ben.” Terwijl hij sprak over zijn vroegere leven als sporter en zijn zeer bescheiden hoop voor de toekomst dwaalden mijn gedachten af naar het stalen superorganisme dat onderaan de heuvel begon en een kilometer verderop bij het strand eindigde, en zag ik de toekomst.
Een wolkenloze nacht. Volle maan. De oceaan die er flinterdun en muisstil bij lag. De raffinaderij was weer verdwenen, en met haar al het menselijk rumoer. Het getoeter en geschreeuw. De hoeren en de junks. De voormalige Amerikaanse werknemers van de Lago met hun echtgenoten tijdens een nostalgisch bezoek aan Charlies Bar.
“Als de olie op is, zullen ook op dit slagveld de bloemen weer bloeien.”
Vendy keek op.
“Dat alles daar, zal er over honderd jaar niet meer zijn.”
“Natuurlijk,” zei Vendy.
“Feitelijk kijken we naar een historisch landschap.”
“Feitelijk wel.”
“Iemand zou er eigenlijk een schilderij van moeten maken.”
“Ja.”

